-
Achtergrond
De regionale scoutingskaart van Nederland: hier begint de weg naar het profvoetbal
Kijk je als scout alleen naar De Toekomst, Varkenoord of De Herdgang, dan ben je eigenlijk al te laat. De route naar het betaald voetbal begint veel eerder: op de velden van Zeeburgia, SC Feyenoord, Spartaan’20, OJC Rosmalen, DZC ’68 en Be Quick 1887.
De KNVB zette de doorstroom van amateurvoetbal naar BVO-opleidingen over vijf seizoenen op de kaart. Het levert een fascinerend beeld op. Amsterdam en Rotterdam zijn de drukste gebieden, maar ook buiten de Randstad liggen vaste haltes op de scoutingsroute. Be Quick 1887 in Groningen is daar een mooi voorbeeld van: een club die al jaren een logisch vertrekpunt richting FC Groningen vormt.
De kaart is geen ranglijst van de beste opleidingen
Eerst de belangrijkste nuance. De KNVB registreert de laatste amateurclub van een speler voordat hij of zij bij een BVO instroomt. Dat maakt een club als Zeeburgia of OJC Rosmalen niet automatisch de plek waar ieder talent ooit begon.
Een speler kan op zijn zesde zijn gestart bij een dorpsclub, daarna naar een grotere regionale vereniging zijn gegaan en pas vervolgens worden opgepikt door Ajax, Feyenoord of PSV. De KNVB noemt dat terecht een “gelaagde structuur”.
| Onderdeel | Uitkomst |
|---|---|
| Jeugdspelers die instroomden bij een BVO | Ongeveer 4,200 |
| Amateurclubs waar deze spelers vandaan kwamen | Meer dan 800 |
| Clubs die samen ruim 3,000 spelers afleverden | Ongeveer 200 |
| Aandeel van deze circa 200 clubs | Ongeveer 70% |
| Lokale amateurclubs waar spelers hun eerste stappen zetten | Meer dan 1,200 |
Dat is ook precies waarom deze kaart zo interessant is. Hij vertelt niet welk clubje een speler volledig heeft opgeleid, maar wel waar scouts op een cruciaal moment veel talent tegenkomen.
Amsterdam: de breedste vijver van Nederland
In en rond Amsterdam is de dichtheid enorm. AVV Zeeburgia, AFC, SDZ, DTA Fortius, Purmersteijn, BFC, Waterwijk, AS’80 en AFC ’34 worden op de KNVB-kaart nadrukkelijk zichtbaar.
Zeeburgia is misschien wel het bekendste voorbeeld. Ryan Gravenberch speelde er in zijn jeugd voordat Ajax hem naar De Toekomst haalde. Dat is niet alleen een mooi verhaal voor de club uit Amsterdam-Oost, maar ook een voorbeeld van waarom scouts daar blijven terugkomen. Veel jeugdteams, veel weerstand en een enorme vijver aan spelers binnen een relatief klein gebied.
“De regionale topclub wordt de etalage”, is eigenlijk de beste samenvatting. Niet iedere speler is er begonnen, maar er wordt wel op het juiste moment zichtbaar wie boven het maaiveld uitsteekt.
| Speler | Amateurclub | Eerste BVO |
|---|---|---|
| Ryan Gravenberch | AVV Zeeburgia | Ajax |
| Brian Brobbey | AFC Amsterdam | Ajax |
| Givairo Read | AVV Zeeburgia | FC Volendam |
| Anass Salah-Eddine | AFC Amsterdam | AZ Alkmaar |
| Steven Bergwijn | ASC Waterwijk | Ajax |
| Abdellah Ouazane | AVV Zeeburgia | Ajax |
| Ro-Zangelo Daal | DVC Buiksloot | AZ Alkmaar |
| Ruben Kluivert | AFC Amsterdam | FC Utrecht |
| Stije Resink | AFC IJburg | Almere City |
| Younes Taha | De Volewijckers | FC Volendam |
Voor scouts uit de regio Amsterdam zijn clubs als Zeeburgia en ook Buitenveldert vaste adresjes om jonge talenten aan het werk te zien. Bovenstaande tabel laat goed zien dat veel talenten uit Amsterdam uitwijken naar een BVO buiten de stad. In andere woorden: er breken zoveel talenten door in Amsterdam, dat Ajax niet de enige club is met scouts langs de zijlijn.
Rotterdam: Varkenoord begint niet op Varkenoord
Ook Rotterdam is een goudmijn voor BVO’s. SC Feyenoord, Spartaan’20, Alexandria’66 en Alphense Boys springen eruit. Justin Bijlow zette zijn eerste stappen bij SC Feyenoord voordat hij naar Feyenoord ging. Lutsharel Geertruida speelde bij Spartaan’20 en stroomde daarna door naar Varkenoord.
Dit is niet toevallig: Feyenoord, Sparta Rotterdam en Excelsior vissen allemaal in dezelfde grote regio. Een talent hoeft dus niet per se vanuit één club rechtstreeks naar één vaste BVO te gaan. De concurrentie tussen profclubs maakt de omgeving juist interessant.
| Speler | Amateurclub | Eerste BVO |
|---|---|---|
| Jorrel Hato | SC Feyenoord | Sparta Rotterdam |
| Gjivai Zechiël | XerxesDZB | Sparta Rotterdam |
| Danilho Doekhi | XerxesDZB | Excelsior |
| Lushendry Martes | VV Spijkenisse | Sparta Rotterdam |
| Thijs Kraaijeveld | Xerxes DZB | Feyenoord |
| Tyrell Malacia | Overmaas | Feyenoord |
| Justin Bijlow | SC Feyenoord | Feyenoord |
| Jaden Slory | BVV Barendrecht | Feyenoord |
| Sherel Floranus | Spartaan '20 | Sparta Rotterdam |
Be Quick 1887 en DZC ’68 bewijzen de kracht van de regio
De kaart laat ook zien dat je geen Amsterdammer of Rotterdammer hoeft te zijn om een sterke talentpipeline te bouwen. Be Quick 1887 is in Groningen al jaren een herkenbare springplank richting FC Groningen. Jorg Schreuders is daarvan een duidelijk voorbeeld.
In Doetinchem geldt hetzelfde voor DZC ’68. Siem en Luuk de Jong maakte via die club de stap naar De Graafschap, voordat beide broers de stappen naar de Nederlandse top maakten. De regionale BVO is in dit soort gebieden vaak niet alleen een eindstation, maar ook een volgende ontwikkelstap.
VV Emmen, Be Quick 1887 en DZC ’68 liggen in regio’s waar een BVO sterk afhankelijk is van een goed lokaal netwerk. Nabijheid helpt, maar de kwaliteit van trainers, jeugdteams en de weerstand op zaterdag is uiteindelijk doorslaggevend.
Wie krijgt eigenlijk de credits?
Dit is de vraag die onder iedere doorstroomkaart hoort te hangen. Want wie heeft een speler eigenlijk opgeleid? De club waar hij op zijn vijfde begon? De vereniging waar hij op zijn tiende in een sterke lichting terechtkwam? Of de laatste amateurclub die hem klaarstoomde voor de stap naar een BVO?
Het eerlijke antwoord: vaak allemaal een beetje.
“De laatste club” is niet hetzelfde als “de enige club”. Een stip op de KNVB-kaart is dus geen eigendomsbewijs op de ontwikkeling van een speler. Juist de kleinere verenigingen verdienen credits voor de basis: plezier, techniek, ouders die elke zaterdag rijden en trainers die een kind op tijd laten groeien.
De grotere regionale amateurclub is vervolgens vaak de plek waar dat talent onder zwaardere weerstand komt te spelen en zichtbaar wordt voor scouts. Partnerships met BVO’s kunnen daarbij helpen, maar een vermelding op de kaart bewijst niet automatisch dat er een formele samenwerking achter zit.
Lees ook: Hoe werkt de opleiding- en solidariteitsvergoeding voor amateurclubs?
De route naar profvoetbal is een estafette
De regionale scoutingskaart bevestigt dat het Nederlandse profvoetbal veel meer leunt op amateurclubs dan vaak wordt gedacht. Niet alleen op de bekende namen uit Amsterdam en Rotterdam, maar ook op clubs als Be Quick 1887, DZC ’68, SC ’t Zand en OJC Rosmalen.
De route naar een BVO is zelden een rechte lijn. Het is een estafette, waarin de dorpsclub de basis legt, de regionale topclub de speler in de etalage zet en de BVO pas daarna het stokje overneemt.
Zoals de KNVB het treffend samenvat: “BVO’s en amateurverenigingen hebben elkaar hard nodig.”
Deze analyse is onderdeel van The Recruitment Room: een nieuwsbrief is gemaakt voor trainers, scouts, technisch directeuren, agencies én sportjournalisten en -redacties.