-
Achtergrond
- 7 uur geleden
De non-EU-salarisregeling in de Eredivisie: een kwaad of een zegen?
Spelers van buiten Europa halen is voor Nederlandse clubs bepaald geen goedkope aangelegenheid. Een speler van 21 jaar of ouder die onder de zogenoemde non-EU-regeling valt, moet in het seizoen 2026/27 minimaal 630.000 euro per jaar verdienen. Voor spelers van achttien tot en met twintig jaar geldt een lager bedrag van 315.000 euro.
Voor de traditionele topclubs is dat doorgaans geen onoverkomelijk probleem. Voor clubs als sc Heerenveen, Sparta Rotterdam, Go Ahead Eagles en vrijwel de volledige Keuken Kampioen Divisie ligt dat anders. Zij moeten een speler van buiten Europa soms een veelvoud betalen van wat een vergelijkbare Nederlandse of Europese speler verdient.
Het zorgt al jaren voor frustratie. Nederlandse clubs vinden dat ze worden beperkt op de internationale transfermarkt en wijzen naar België en Scandinavië, waar buitenlandse talenten veel goedkoper kunnen worden vastgelegd.
Toch is het maar de vraag of Nederland die kant op moet willen. De regeling maakt het moeilijker om onbekende spelers uit Afrika, Azië en Zuid-Amerika binnen te halen, maar beschermt tegelijkertijd precies datgene waarmee Nederland zich al tientallen jaren onderscheidt: het opleiden, ontwikkelen en verkopen van eigen talent.
De non-EU-regeling is misschien vervelend voor technisch directeuren. Voor het Nederlandse voetbal als geheel is het mogelijk juist een zegen.
Eerst een belangrijke nuance: het gaat niet alleen om de EU
Hoewel doorgaans wordt gesproken over het non-EU-salaris, gaat het juridisch om spelers van buiten de Europese Economische Ruimte en Zwitserland. Spelers uit Noorwegen, IJsland en Liechtenstein vallen daardoor niet onder de salarisregeling, ook al zijn die landen geen lid van de Europese Unie.
De overheid hanteert als uitgangspunt dat Nederlandse werkgevers hun personeel in eerste instantie binnen Nederland, de EER of Zwitserland zoeken. Omdat een voetbalclub moeilijk kan bewijzen dat er nergens in Europa een geschikte rechtsbuiten beschikbaar is, bestaat voor het betaald voetbal een aparte regeling.
Een speler moet minimaal achttien jaar zijn en gaan uitkomen in de Eredivisie of Keuken Kampioen Divisie. Daarnaast moet hij regelmatig hebben gespeeld in een competitie van minimaal vergelijkbaar niveau of op een andere manier hebben aangetoond over voldoende kwaliteit te beschikken, bijvoorbeeld door voor een nationale ploeg te zijn geselecteerd. Op internet wordt veel gesproken over een FIFA-top-40 van landen waar de spelers uit moeten komen, maar dit is dus niet waar.
Daar bovenop komt de salariseis. Spelers vanaf 21 jaar moeten minimaal 150 procent van het gemiddelde Eredivisie-salaris verdienen. Voor spelers van achttien tot en met twintig jaar geldt 75 procent. Sinds 1 april 2025 vallen ook twintigjarige spelers onder dat lagere tarief. De overheid wilde clubs daarmee meer ruimte geven om jong internationaal talent aan te trekken.
Non-EU-salaris bereikt nieuw record
Het bedrag wordt ieder jaar opnieuw berekend op basis van de salarissen in het laatst voltooide Eredivisie-seizoen. Doordat de Nederlandse spelerssalarissen de afgelopen jaren zijn gestegen, loopt ook de drempel voor spelers van buiten de EER verder op.
Ontwikkeling van het non-EU-salaris
| Seizoen | 21 jaar en ouder | 18 tot en met 20 jaar |
|---|---|---|
| 2017/18 | €418.000 | €209.000 |
| 2018/19 | €422.000 | €211.000 |
| 2019/20 | €436.000 | €218.000 |
| 2020/21 | Bevroren vanwege corona | Bevroren vanwege corona |
| 2021/22 | €463.000 | €231.500 |
| 2022/23 | €486.000 | €243.000 |
| 2023/24 | €500.000 | €250.000 |
| 2024/25 | €560.000 | €280.000 |
| 2025/26 | €608.000 | €304.000 |
| 2026/27 | €630.000 | €315.000 |
Ten opzichte van afgelopen seizoen stijgen beide bedragen met ongeveer 3,6 procent. Aan het begin van deze eeuw lag de salariseis nog rond de vierhonderdduizend euro. Rond 2009 werd met ongeveer 530.000 euro een toenmalige piek bereikt. Inmiddels ligt de norm dus een ton hoger.
Dat heeft ook te maken met de manier waarop het bedrag wordt berekend. De hoge salarissen bij Ajax, PSV en Feyenoord trekken het gemiddelde flink omhoog, terwijl de norm eveneens geldt voor clubs uit de Keuken Kampioen Divisie. Precies daar zit een van de zwakke punten van de regeling: een club met een relatief bescheiden salarishuis moet zich houden aan een bedrag dat mede wordt bepaald door de grootverdieners van de topclubs. Hierdoor wordt het voor clubs als bijvoorbeeld een FC Emmen of Roda JC steeds meer onrealistisch om een speler buiten de EER te halen, als het al niet onhaalbaar was.
Een twintigjarige speler is tijdelijk goedkoper
De verruiming voor twintigjarige spelers kan voor clubs interessant zijn. Het salariscriterium dat geldt bij de aanvraag blijft in beginsel gedurende de contract- en vergunningsperiode van toepassing. Een club die vlak voor zijn 21ste verjaardag een twintigjarige speler vastlegt, kan daardoor langer profiteren van het lagere bedrag.
Een werk- en verblijfsvergunning is maximaal drie jaar geldig. In theorie kan een twintigjarige speler daardoor tot bijna zijn 24ste onder het lagere criterium van 315.000 euro blijven vallen.
Bij een transfer of verhuur moet de nieuwe club wel opnieuw een aanvraag indienen. De vergunning is namelijk aan de werkgever gekoppeld. Dat kan gevolgen hebben voor spelers die inmiddels 21 jaar of ouder zijn: bij een nieuwe toets kan het volledige salariscriterium van toepassing worden.
Vooral de grotere clubs gebruiken de regeling
Uit onze inventarisatie bleek het afgelopen seizoen in totaal 27 spelers uit de betreffende categorie minuten te hebben gemaakt in de Eredivisie. Zij waren verdeeld over slechts acht clubs.
Geïnventariseerde spelers met Eredivisie-minuten in 2025/26
| Speler | Club |
|---|---|
| Oussama Targhalline | Feyenoord |
| In-beom Hwang | Feyenoord |
| Ayase Ueda | Feyenoord |
| Tsuyoshi Watanabe | Feyenoord |
| Gaoussou Diarra | Feyenoord |
| Koki Ogawa | NEC |
| Kodai Sano | NEC |
| Kento Shiogai | NEC |
| Danilo | NEC |
| Eli Dasa | NEC |
| Seiya Maikuma | AZ |
| Rion Ichihara | AZ |
| Ibrahim Sadiq | AZ |
| Mateo Chávez | AZ |
| Oscar Gloukh | Ajax |
| Takehiro Tomiyasu | Ajax |
| Oleksandr Zinchenko | Ajax |
| Ko Itakura | Ajax |
| Maher Carrizo | Ajax |
| Mauro Júnior | PSV |
| Ricardo Pepi | PSV |
| Adamo Nagalo | PSV |
| Esmir Bajraktarevic | PSV |
| Stefan Mitrović | Excelsior |
| Do-young Yoon | Excelsior |
| Shunsuke Mito | Sparta Rotterdam |
| Artem Stepanov | FC Utrecht |
Verdeling per club
| Club | Aantal spelers | Aandeel |
|---|---|---|
| Feyenoord | 5 | 18,5% |
| NEC | 5 | 18,5% |
| Ajax | 5 | 18,5% |
| AZ | 4 | 14,8% |
| PSV | 4 | 14,8% |
| Excelsior | 2 | 7,4% |
| Sparta Rotterdam | 1 | 3,7% |
| FC Utrecht | 1 | 3,7% |
Ajax, Feyenoord, PSV, AZ en NEC waren samen goed voor 23 van de 27 spelers, oftewel ruim 85%. Tien Eredivisie-clubs kwamen in deze inventarisatie helemaal niet voor.
Dat laat twee dingen zien. De regeling sluit de Nederlandse competitie niet af voor spelers uit andere werelddelen. Clubs die overtuigd zijn van een speler, kunnen hem nog altijd vastleggen. Tegelijkertijd voorkomt de hoge financiële drempel dat vrijwel iedere club zijn selectie voor relatief weinig geld kan vullen met spelers van buiten Europa.
Geen perfecte kwaliteitstoets
Het belangrijkste argument van de clubs tegen de regeling is begrijpelijk. Een hoog salaris maakt een speler niet automatisch goed. Een matige aankoop van Ajax kan zonder problemen aan het salariscriterium voldoen, terwijl een uitzonderlijk talent uit Japan, Mali of Argentinië voor een kleinere club onbetaalbaar kan zijn.
NEC wijst daarbij graag op spelers als Kodai Sano en Kento Shiogai. De Nijmegenaren konden hen relatief jong en voor beperkte transfersommen vastleggen. Wanneer dergelijke spelers zich goed ontwikkelen, kunnen de transferopbrengsten worden geïnvesteerd in het stadion, de trainingsfaciliteiten en de jeugdopleiding.
Dat is een valide punt. Nederland concurreert op de internationale talentenmarkt met België, Denemarken, Zweden en Noorwegen. Daar liggen de financiële en juridische drempels veel lager.
Regels in enkele concurrerende voetballanden
| Land | Belangrijkste regeling |
|---|---|
| Nederland | €630.000 vanaf 21 jaar; €315.000 voor spelers van 18 tot en met 20 jaar |
| België | Veel lager minimumsalaris en minimaal zes lokaal opgeleide spelers in de wedstrijdselectie |
| Denemarken | Non-EU-salaris van ongeveer €74.000; financiële prikkel om Deense spelers te selecteren |
| Zweden | Minimaal de helft van de wedstrijdselectie moet homegrown zijn |
| Duitsland | Geen non-EU-quotum; wel eisen voor Duitse en lokaal opgeleide spelers |
| Spanje | Quotum voor non-EU-spelers, met uitzonderingen voor onder meer veel spelers uit Latijns-Amerika |
In België lag het minimum voor een speler van buiten Europa afgelopen seizoen afhankelijk van de regio rond de vijftig- tot 110.000 euro. In Denemarken ging het omgerekend om ongeveer 74.000 euro. Nederland neemt dus een uitzonderlijk strenge positie in.
Wat maakt Nederland nog uniek?
Nederland kan op financieel gebied niet concurreren met de Premier League, Bundesliga of Serie A. Ook de binnenlandse televisiegelden blijven achter bij de grootste Europese competities. Onze kracht ligt ergens anders.
Nederlandse clubs bieden jonge spelers eerder een kans, geven trainers de ruimte om talent te ontwikkelen en durven spelers op jonge leeftijd verantwoordelijkheid te geven. De Eredivisie en Keuken Kampioen Divisie vormen daardoor al jarenlang een springplank naar de Europese top.
Dat model levert niet alleen spelers op voor het Nederlands elftal. Het is ook een belangrijk verdienmodel. Een zelfopgeleide speler vertegenwoordigt bij een transfer vrijwel pure winst. Daarnaast blijven clubs bij latere transfers profiteren via opleidingsvergoedingen en solidariteitsbijdragen. Voorbeelden voldoende: Micky van de Ven, Jan Paul van Hecke, Frenkie de Jong en recentelijk zowel Sean Steur als Kayne van Oevelen. Zulke spelers zijn financieel goud waard voor clubs. Niet alleen op de korte termijn, maar ook als een dergelijke speler in het vervolg een transfer maakt.
De transfer van Van Hecke naar Tottenham Hotspur deze zomer is daar een mooi voorbeeld van. De centrale verdediger liet de kassa van liefst vier Nederlandse clubs rinkelen met zijn overstap van 60 miljoen euro.
Solidariteitsbijdrage bij transfer Jan Paul van Hecke
| Club | Opbrengst |
|---|---|
| JOVZ | 1,2 miljoen euro |
| NAC Breda | 600.000 euro |
| sc Heerenveen | 300.000 euro |
| VV GOES | 300.000 euro |
Wanneer de toegang voor goedkope internationale spelers volledig wordt geopend, verandert de afweging voor clubs. Waarom jarenlang investeren in jeugdscouting, trainers, faciliteiten en individuele begeleiding wanneer een 21-jarige speler uit een ander werelddeel voor minder geld direct kan worden binnengehaald?
Dat betekent niet dat Nederlandse talenten vanzelf beter zijn. Evenmin moet iedere plek in een selectie worden gereserveerd voor een speler uit de eigen regio. Buitenlandse spelers kunnen een competitie beter maken, nieuwe kwaliteiten toevoegen en Nederlandse talenten juist uitdagen.
De Eredivisie is allang internationaal
De gedachte dat de Eredivisie door de regeling wordt afgesloten van de internationale markt klopt niet. In het door Voetbal International aangehaalde onderzoek werd 48 procent van de arbeidsplaatsen in de Eredivisie al ingevuld door internationale spelers. In België lag dat aandeel op 63 procent.
Nederlandse clubs kunnen vrij spelers halen uit alle EU- en EER-landen, Zwitserland en de grote groep voetballers die naast hun sportnationaliteit ook over een Europees paspoort beschikt. De beschikbare markt is dus enorm.
De discussie gaat niet over de vraag of er buitenlandse spelers naar Nederland mogen komen. De vraag is of clubs onbeperkt en tegen zeer lage kosten mogen shoppen in werelddelen waar salarissen en transfersommen veel lager liggen. Dat is een totaal andere discussie.
De hoge salarisgrens dwingt clubs om een duidelijke keuze te maken. Is deze speler echt bijzonder genoeg? Gaat hij direct iets toevoegen? Is zijn potentiële transferwaarde groot genoeg om het financiële risico te rechtvaardigen?
Die toets is niet waterdicht, maar zorgt er wel voor dat het aantrekken van een speler van buiten de EER een bewuste investering wordt in plaats van een goedkope gok.
Een bedreiging voor kleinere clubs?
Een vaak gehoord argument is dat de regeling de verschillen binnen de Eredivisie vergroot. Ajax, PSV en Feyenoord kunnen het vereiste salaris relatief eenvoudig betalen, terwijl de onderkant van de competitie geen toegang heeft tot dezelfde spelersmarkt.
Daar zit een kern van waarheid in. Tegelijkertijd is het niet vanzelfsprekend dat het verlagen van de drempel die kleinere clubs structureel sterker maakt.
Goedkope internationale scouting vraagt een groot netwerk, betrouwbare data, lokale contacten en kennis van contracten, paspoorten en vergunningen. Juist clubs die onderdeel zijn van een internationaal multiclubnetwerk hebben daar voordeel van. Het risico bestaat daardoor dat niet de traditionele Nederlandse opleidingsclubs, maar buitenlandse investeringsgroepen het meest profiteren van een versoepeling.
Daarmee kan Nederland juist zijn eigen handelspositie verzwakken. Clubs uit België en Scandinavië verdienen aan het vroeg importeren en doorverkopen van internationaal talent. Nederlandse clubs verdienen traditioneel vooral aan het opleiden en ontwikkelen van spelers.
Waarom zouden we hun model volledig kopiëren en tegelijkertijd ons eigen onderscheidende vermogen opgeven?
Niet afschaffen, wel blijven verbeteren
Dat betekent niet dat de regeling onaantastbaar is. De berekeningsmethode kan eerlijker en duidelijker. Het is bijvoorbeeld moeilijk uit te leggen dat de salarissen van de topclubs bepalend zijn voor een norm die ook voor de volledige Keuken Kampioen Divisie geldt.
Een berekening op basis van alle 34 profclubs, zoals de clubs voorstellen, zou de norm echter zeer sterk verlagen. Daarmee bestaat het risico dat de bescherming grotendeels verdwijnt. Een tussenoplossing ligt meer voor de hand: een representatievere loonmaatstaf, gecombineerd met harde homegrown-eisen en een minimumaantal lokaal opgeleide spelers in wedstrijdselecties.
Ook de verruiming voor twintigjarige spelers is verdedigbaar. Daarmee krijgen clubs extra ruimte om een aantoonbaar groot talent vroeg vast te leggen, zonder dat de poorten volledig worden opengezet. De overheid verwachtte bij de invoering slechts twee à drie extra twintigjarige spelers per jaar.
De regeling kan dus gerichter worden gemaakt. Maar dat is iets anders dan het grotendeels afbreken.
Conclusie: vooral een zege
Voor een individuele club kan het non-EU-salaris behoorlijk frustrerend zijn. Het maakt interessante spelers onbetaalbaar, vergroot het risico van een transfer en beperkt de gebieden waarin kleinere clubs realistisch kunnen scouten.
Het Nederlandse voetbal leeft van ontwikkeling. Van jeugdopleidingen, vroege speelminuten, trainers die jonge spelers beter maken en clubs die talent met winst doorverkopen. De hoge non-EU-drempel beschermt dat ecosysteem. Het zorgt ervoor dat talenten als Kees Smit, Ryan Metu, Ruud Nijstad en noem ze allemaal maar op, veel eerder vlieguren kunnen maken.
Top 10 meeste jeugd Eredivisie
| Club | Jeugdproducten | Competitiewedstrijden |
|---|---|---|
| AZ | 15 | 459 |
| Ajax | 14 | 916 |
| FC Twente | 10 | 401 |
| FC Groningen | 9 | 372 |
| PSV | 8 | 270 |
| FC Utrecht | 7 | 98 |
| NEC | 7 | 269 |
| Feyenoord | 6 | 232 |
| sc Heerenveen | 6 | 217 |
| PEC Zwolle | 6 | 292 |
* Voor deze tabel telden we alleen spelers mee die eerder uitkwamen voor de O17 of O19 van de club en nu onderdeel zijn van de eerste selectie.
De regeling voorkomt niet dat Ueda, Sano, Pepi, Gloukh of Mito in Nederland spelen. Goede spelers komen nog steeds binnen. Ze zorgt er vooral voor dat clubs niet voor ieder twijfelgeval een goedkoper alternatief uit de hele wereld kunnen halen.
Nederland hoeft geen gesloten voetballand te worden. Buitenlands toptalent kan de Eredivisie beter, aantrekkelijker en waardevoller maken. Maar die spelers moeten een duidelijke toevoeging zijn, geen makkelijke vervanging voor een achttienjarige uit de eigen opleiding. Dit is (helaas) wel een trend die gaande is in bijvoorbeeld België. Veel clubs kiezen voor een relatief goedkope speler van buiten de EER in plaats van het investeren in eigen jeugd.
Top 10 meeste jeugd Jupiler Pro League
| Club | Jeugdproducten | Competitiewedstrijden |
|---|---|---|
| Club Brugge | 10 | 567 |
| KV Mechelen | 9 | 89 |
| KRC Genk | 8 | 451 |
| Royal Antwerp | 8 | 150 |
| KAA Gent | 8 | 158 |
| Anderlecht | 7 | 368 |
| Sint-Truiden | 6 | 86 |
| Standard Luik | 5 | 64 |
| Zulte Waregem | 5 | 38 |
| Charleroi | 5 | 33 |
De huidige regeling is niet perfect en vooral de manier waarop het salaris wordt berekend, verdient discussie. Toch is het uitgangspunt sterk: een speler van buiten de EER moet aantoonbaar iets toevoegen. Daarmee blijft de drempel hoog genoeg om te voorkomen dat clubs de wereldmarkt vooral gebruiken als goedkope vervanging voor talent uit de eigen opleiding.
Juist dat opleidingsmodel maakt Nederland al jarenlang bijzonder. De Eredivisie en Keuken Kampioen Divisie geven jonge spelers kansen, ontwikkelen talent en verdienen aan doorverkoop. Buitenlandse versterkingen blijven welkom, maar wel als echte meerwaarde. Zo beschermt de regeling precies datgene waarop het Nederlandse voetbal zijn naam en handelspositie heeft gebouwd.